Deze site is VERHUISD naar marcvandijk.nu

Beste bezoeker,

Ik heb een nieuwe, mooiere en completere website, waar ik veel beter met u kan delen wat ik allemaal uitvoer:

www.marcvandijk.nu

Hopelijk vindt u het net zo’n grote verbetering als ik zelf. Bijna alle oude posts zijn trouwens meeverhuisd.

Vanaf nu bent u op de nieuwe site van harte welkom, bijvoorbeeld voor info en nieuws over mijn boek De paus van Amsterdam!

Hartelijke groeten,

Marc

PS: Kritische opmerkingen over de nieuwe site zijn welkom. Complimenten ook.

Advertenties

‘Depressionist benut inflatie’

René Gude bij DWDDinterview met René Gude, Denker des Vaderlands 

Er woedt rond de duiding van economisch nieuws de laatste weken een slag tussen optimisten en pessimisten. Is er nou wel of niet sprake van economisch herstel? René Gude, Denker des Vaderlands, is naar eigen zeggen ‘depressionistisch’.

Wat wil dat zeggen?

“Een depressionist is ervan overtuigd dat het misloopt als hij er niet in slaagt zich welbewust bij een goede ontwikkeling aan te sluiten. De depressionist laat zich diep in de depressie zakken en houdt er niettemin een goed humeur bij. De depressionist herken je aan het feit dat hij nooit klaagt, niet omdat er geen reden voor zou zijn, maar omdat hij er gewoon niet aan begint.”

De termen ‘pessimisme’ en ‘optimisme’ zijn onbruikbaar?

“Nee helemaal niet. Pessimisme is een uitmuntende houding voor mensen die ervan overtuigd zijn dat de economie een blind proces is, net als het weer. Als je jezelf geen handelingsmacht toebedeelt en je weet zeker dat de overheid systematisch faalt en bankiers zakkenvullers zijn, dan kun je je maar beter instellen op een slechte afloop, dan valt het altijd mee. Als het verkeerd loopt heb je gelijk, als het goed gaat heb je geluk.

“Optimisme werkt ook prima als je ervan overtuigd bent dat de economie een blind proces is. Je kunt net zo passief blijven als de pessimist en erbij glimlachen. Het risico is wel dat je voor naïef wordt versleten en – dat is echt een nadeel – je bent veel minder grappig. ‘Het komt goed!’ klinkt toch een stuk minder lollig dan: ‘Why live if you can be buried for ten dollars?’ of: ‘Life sucks and then you’ll die’.

“Pessimisme en optimisme zijn vormen van humeurmanagement die zich beide weinig gelegen laten liggen aan wat er werkelijk gebeurt. In de jaren zeventig zeiden ze dan: ‘Het is een gevoel weet je. Je moet gewoon niet te veel in je ratio zitten, vogel.’”

Doe je de optimisten nu niet tekort?

“Ja, je hebt gelijk. Kritisch optimisme is zeer wel mogelijk. Leibniz, vader van het optimisme, gebruikte ‘optimum’ als een neutrale term. De wereld is op ieder ogenblik op te vatten als een optimum, als  de resultante  van alle op dat moment werkende krachten. Voor een groot deel zijn dat de ongetemde natuurkrachten, voor een deel de menselijke activiteiten.

“Leibniz’ voorstel: zorg dat je de natuurkrachten die inwerken op elk optimum doorziet en richt er de menselijke activiteiten naar. Maar draag de morele consequentie blijmoedig. Als je jezelf toestaat natuurkrachten te beheersen en je laat verleiden tot deelname aan ingewikkeld economisch gedrag, loop dan niet te miepen als het anders loopt dan gedacht. Bedenk dat je eigenmachtig ingrijpt en dus verantwoordelijk bent. Doe dat gerust, maar grijp ook in als je ingrepen te ingrijpend bleken. Blijf tegen alle teleurstellingen in  steeds streven van het ene optimum – dat kan op een bepaald moment bijvoorbeeld een mislukt huwelijk zijn – naar verbetering van het volgende optimum.  Mislukken mag, maar klagen niet. Het antwoord  van de klassieke optimist op de vraag: ‘Hoe gaat het?’ is áltijd: ‘Ik mag niet klagen.’ Ook als het slecht gaat.”

Dat lijkt wel depressionisme.

“Inderdaad. Leibniz heeft de term ‘optimisme’ ook helemaal niet bedacht. Hij werd ervan beschuldigd door tegenstanders. Laten we de geschiedenis van de filosofie herschrijven: Leibniz was de vader van het depressionisme.”

En wat doen we met de inflatie?

“De pessimist zal zijn spaartegoeden zien slinken, de optimist zijn schulden. De depressionist rekent uit wat hoger is in Nederland, de spaartegoeden of de schulden en gebruikt inflatie als instrument.”

Trouw, 15-8-’13 © Marc van Dijk

Het brein: de laatste grote ontdekkingsreis?

In het Filosofisch Elftal analyseren twee denkers tweewekelijks een actuele kwestie. President Obama maakt miljarden vrij om het menselijk brein in kaart te brengen. Zal de mens zichzelf eindelijk leren kennen?

Alle uithoeken van de aarde zijn betreden, in kaart en in cultuur gebracht, maar er is nog één mysterieus stukje terra incognita, dat langzaamaan toegankelijk lijkt te worden: het denkende vlees in onze schedels. Als een nieuwe maanreis, een laatste grote ontdekkingsreis aangekondigd door de Amerikaanse president Obama, gaan wetenschappers het menselijk brein tot in de kleinste details in kaart brengen, zoals ze dat eerder deden met onze DNA-structuur, het menselijk genoom. Zal het ons inzicht geven in de menselijke natuur?

Marli Huijer, arts en bijzonder hoogleraar filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam: “Het zal de Amerikanen economisch gezien geen windeieren leggen. De ontrafeling van het DNA is voor de VS ook een zeer rendabel project geweest: er is een omvangrijke industrie ontstaan rond genetische testen en geneesmiddelen die daarmee samenhangen. Wie ergens als eerste zijn vlaggetje in plant, kan zich die plek toe-eigenen.”

Bas Haring, filosoof en hoogleraar publiek begrip van de wetenschap aan de Universiteit Leiden: “Daarom is het juist toe te juichen dat de Amerikaanse overheid dit doet, en niet het bedrijfsleven. Als een bedrijf het zou doen, bijvoorbeeld IBM, dan zou het kunnen gebeuren dat de kennis die dit onderzoek oplevert, exclusief van IBM wordt. Toen minister Ronald Plasterk nog wetenschapper en bestuurder was, vertelde hij me dat overheden zoveel mogelijk publiek geld in dit soort onderzoek stoppen, om te zorgen dat dit soort kennis publiek bezit wordt.”

Huijer: “Het is inderdaad te hopen dat het onderzoek op deze manier zo breed mogelijk bijdraagt aan zowel welzijn als welvaart – via medische innovatie. Maar of deze ‘ontdekkingsreis’ ons ook veel over onszelf gaat leren, is zeer de vraag.

“Toen de ontcijfering van het hele menselijk genoom eind jaren tachtig werd aangekondigd, klonken dezelfde grote woorden die nu te horen zijn. We zouden eindelijk inzicht krijgen in de mens. Het boek van de natuur zou worden geopend. In de toekomst hoefde je maar een cd’tje uit je jaszak te halen en te zeggen: ‘Kijk, dit ben ik’.

“Bij hersenonderzoek gaan de beloftes zo mogelijk nog verder: ‘Eindelijk zullen we weten wie we werkelijk zijn’. Lariekoek.

“Achteraf moeten we vaststellen: de ontcijfering van het menselijk genoom heeft ons inzicht gegeven in heel specifieke erfelijke aandoeningen. Maar het overgrote merendeel van de ziektes blijkt te worden veroorzaakt door een veelheid aan combinaties van kleine DNA-afwijkingen. Tot nu toe heeft het onderzoek daarom meer vragen dan antwoorden opgeleverd.

“Wat me stoort in dit nieuwe project, is dat het erop gericht is de mens en zijn gedragingen te reduceren tot hersenprocessen. Er wordt gekeken welke hersengebieden oplichten bij een specifieke activiteit of omstandigheid. Maar hoeveel kan je daarvan leren over de mens? Een mens is zoveel meer dan de plaatjes die zijn hersenactiviteit te zien geven. Dit onderzoek ondersteunt filosofisch gezien een reductionistische, materialistische mensvisie.”

“De beloftes die hersenonderzoekers doen zijn te groot” (Huijer)

Haring: “Die zorg deel ik. Er is in de wetenschap een soort adagium dat we alles kunnen begrijpen door er maar zo ver mogelijk op in te zoomen. In het geval van hersenen: hoe dunner de plakjes, hoe meer inzicht. Dat laatste is helaas niet waar.

“Natuurlijk is het geweldig dat we tegenwoordig de hersenen veel beter kunnen bestuderen, doordat we veel dunnere plakjes kunnen maken, en doordat we dat zelfs virtueel kunnen doen, dus zonder in hersenen te hoeven snijden. Dat moeten we ook zeker doen, en als ik Obama was, zou ik hier óók op inzetten. Want je weet nooit op wat voor rare dwarsverbanden je stuit.

“Maar het is niet zo dat je alles kunt begrijpen door het uiteen te rafelen. Stel dat je van een andere planeet komt, en je wilt het verschijnsel ‘file’ begrijpen. Dan kun je dat proberen door de situatie tot in detail in kaart te brengen: alle auto’s afzonderlijk, tot en met de kleinste onderdeeltjes waar ze uit bestaan. Maar op die manier kom je helemaal niet dichter bij een verklaring van het fenomeen file.”

“Het is niet: hoe dunner de plakjes, hoe meer inzicht.” (Haring)

Huijer: “Alles wat wij doen, beleven en meemaken kan veranderingen in de hersenen en in hersenprocessen veroorzaken. Filosofen als John Dewey en Maurice Merleau-Ponty laten zien dat wij in hoge mate bepaald worden door onze interacties met de omgeving. Het menselijk bewustzijn is niet louter een hersenproces, maar een resultaat van permanent contact met de buitenwereld.

“De hersenwetenschappers zullen hun grote beloftes niet waar kunnen maken. Mensen zijn eindeloos veel complexer dan wij ons kunnen voorstellen. Meten is weten, maar weten is niet per se begrijpen. Als je alles meet en in kaart brengt, creëer je eigenlijk een soort tweede wereld, die uitsluitend bestaat uit een representatie van de echte wereld. Het probleem is alleen dat die representatie in dit geval uit zo ongelofelijk veel data zal bestaan, dat hij bijna net zo complex is als de echte wereld.”

Haring: “In een hoofd bevinden zich ongeveer tien keer meer neuronen dan er mensen op de wereld zijn. Het is dus alsof je de wereld wilt analyseren door alle levende mensen in kaart te brengen, inclusief hun onderlinge relaties, maal tien. Daar wordt de wereld niet bepaald begrijpelijker van.

“En toch ben ik er wel vóór dat dit onderzoek plaatsvindt. Want al zullen we dan niet de beloofde antwoorden op de grote vragen krijgen, antwoorden op kleine deelterreinen kunnen ook interessant en nuttig zijn. Het reductionistische mensbeeld is misschien een vergissing, maar het is wel een valide verhaal, zolang het naast andere visies wordt geplaatst. Neem medisch onderzoek: sommige ziektes blijken wel degelijk een heel duidelijk aanwijsbare oorzaak te hebben. Eén bepaald gen dat anders staat, of een gevoeligheid voor een bepaald stofje. Die ziektes kun je dankzij dit soort onderzoek bestrijden. Maar we vliegen uit de bocht als we gaan denken dat we de hele mens zo kunnen bevatten.

“Er is trouwens nóg een belangrijk verschil tussen dit nieuwe hersenproject en voorgaande ‘ontdekkingsreizen’: van die andere reizen wist je wanneer ze geslaagd waren. De ontwikkeling van de atoombom, de reis naar de maan en zelfs de ontcijfering van het menselijk DNA: er was steeds een duidelijk eindpunt. Maar als je de brei in ons hoofd in kaart wilt brengen, wanneer ben je dan klaar? Als ze eerlijk zijn, moeten ze toegeven dat ze geen flauw idee hebben waar dit eindigt.”

Trouw, 1-3-13 © Marc van Dijk

Leven is een onbeheersbare kunst – recensie en interview

imagesIn het januari-nummer van Filosofie Magazine staat mijn interview met Paul van Tongeren, over zijn laatste boek: ‘Leven is een kunst’. Om het interview te lezen, zul je het tijdschrift moeten kopen. Als voorproefje hieronder alvast de recensie die ik voor Trouw schreef over hetzelfde onderwerp.

Paul van Tongeren: ‘Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst. Uitgeverij Klement; ISBN 9789086871025; 253 pagina’s; € 22,50

De schrijver: Paul van Tongeren (1950) is ethicus en Nietzsche-kenner. Hij is hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen, buitengewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven en associate researcher van de Universiteit van Pretoria. Naast zijn boeken over Friedrich Nietzsche, waarvan er onlangs één in het Portugees vertaald werd, publiceerde hij onder meer over deugdethiek. Sinds 2007 is hij speler in Trouws Filosofisch Elftal.

Stelling van dit boek: Wie levenskunst bedrijft, moet niet denken dat hij alles in eigen hand heeft. Het meest wezenlijke kan je enkel ‘ontvangen’.

Van Tongeren neemt een lange, maar interessante aanloop om tot deze centrale stelling te komen. Omdat levenskunst de zoektocht is naar ‘het goede leven’, bespreekt hij eerst de methodologische problemen die bij die zoektocht opdoemen: kán de ethiek überhaupt wel algemene uitspraken doen, regels opstellen die voor elk leven geldig zijn? Of kunnen we ons beter beperken tot de uitspraak die Socrates deed in zijn verdedigingsrede: ‘Het leven dat zichzelf niet onderzoekt is geen leven voor een mens’, met andere woorden: een goed leven is een leven dat zichzelf onderzoekt, en daarmee is alles wel zo’n beetje gezegd?

Van Tongeren is zich zeer bewust van de beperkingen van de ethiek, en zelfs van de menselijke ratio. Toch verkiest hij wel degelijk één ethiek: de deugdethiek. Hij legt deze anders uit dan zijn populaire collega’s, levenskunstfilosofen als Wilhelm Schmid en Joep Dohmen. In Van Tongerens ogen hanteren zij filosofie en ethiek te veel als een instrument om doelstellingen mee te realiseren, terwijl filosofie volgens Van Tongeren draait om het zoeken naar betekenis. En die betekenis laat zich niet dwingen, ook niet in de levenskunst.

Hij vergelijkt levenskunst met ‘echte’ kunst. Ook daarin geldt volgens hem dat een kunstenaar zich weliswaar kan en moet trainen in zijn techniek, maar dat het meest wezenlijke – de betekenis die uiteindelijk via zijn werk zichtbaar wordt – daarmee niet te sturen is. Een goede kunstenaar is in Van Tongerens ogen een medium, en als levenskunstenaars zouden wij dus ook ‘media’ moeten worden.

Mooiste zin: ‘De mens is een wezen dat niet alleen gebaard wordt door een ander, begraven wordt door anderen, maar ook daar tussen in slechts mens wordt door de liefde en de erkenning van anderen.’

Een zin als deze lijkt misschien niet direct aan te sluiten op het hoofdonderwerp van het boek: levenskunst. Tussen de hoofdstukken heeft Van Tongeren een soort korte intermezzo’s geplaatst, waarin hij naar eigen zeggen probeert ‘iets te tonen’ van de inhoud die hij in de theoretische hoofdstukken bespreekt. Het zijn bewerkte lezingen en artikelen over kunst, relaties en liefde. In deze tussenstukken is Van Tongeren het best op dreef. Ze verhelderen zijn mensbeeld, en ook van de schrijver zelf krijgen we in die passages iets meer te zien. Hetzelfde geldt voor de ‘aforismen’, die hij als een soort toegift achterin heeft geplaatst.

Onbegrijpelijkste zin: Van Tongeren schrijft zeer toegankelijk. Soms iets té toegankelijk; hij heeft als ervaren hoogleraar een docerende stijl, de hoofdstukken lezen een beetje als de schriftelijke weerslag van filosofie-colleges. Het zijn heldere en zeer leerzame uiteenzettingen, maar soms zou je hopen dat de schrijver zijn geest wat meer de vrije loop zou laten. Juist omdat uit de qua vorm vrijere tussenstukken en aforismen blijkt dat dit hem veel kan opleveren.

Reden om dit boek niet te lezen: Wie een levenskunst-handleiding zoekt, inclusief oefeningen en concrete tips om zijn leven te beteren, kan beter een ander boek kiezen. Van Tongerens biedt geen zelfhulpfilosofie à la Alain de Botton.

Reden om dit boek wel te lezen: Voor wie zich wil verdiepen in de vraag wat levenskunst eigenlijk is, biedt Van Tongeren een genuanceerde en welhaast geestverruimende blik. Dit boek geeft geen pasklare antwoorden, maar kan de verwondering over het leven vergroten.

Trouw, 19-12-12 © Marc van Dijk

Valt discriminatie af te leren?

discriminatiePraktisch niemand is vóór discriminatie, en toch is discriminatie ook in Nederland nog niet uitgebannen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) deed in opdracht van het ministerie van sociale zaken een test: blanke Nederlanders en niet-westerse Nederlanders meldden zich 460 keer als werkzoekenden bij uitzendbureaus. De acteurs hadden qua geschiktheid steeds precies hetzelfde profiel. Uitkomst: de blanken kregen in 46 procent van de gevallen een baan, de nieuwe Nederlanders in slechts 28 procent van de gevallen.

Hoe komt het dat wij discrimineren? En hoe komen we ervan af? Ik herinner me dat ik jaren geleden eens uitviel tegen een kassameisje met een hoofddoekje. Ik weet niet meer waar het over ging, maar om een of andere reden liet ik haar merken dat haar gedrag mij stoorde.

De gebeurtenis bleef hangen in mijn hoofd, ik had het gevoel dat er iets veranderd was. Later realiseerde ik me dat ik tot op dat moment doorgaans voorzichtiger, beleefder om was gegaan met mensen die ik op basis van hun uiterlijk als allochtoon zag, om maar niet te discrimineren. Ik deed kennelijk aan positieve discriminatie. Terwijl ik het discrimineren pas werkelijk voorbij ben, als ik tegen iemand met een andere huidskleur even hard uitval als tegen een blanke.

Ik legde de kwestie voor aan het Filosofisch Elftal. Lees hier de conversatie met filosofen Frank Ankersmit en René Gude in Trouw.

Staat concentratie onder druk?

Coach Marco Borsato, in een peptalk tegen deelnemers aan The Voice of Holland: ‘Jullie moeten eerder opstaan. Ik zie jullie veel te laat online komen.’

de afleidingsmachineOnline zijn is dus synoniem geworden voor wakker zijn. Ik kan het niet wetenschappelijk onderbouwen, maar op basis van mijn eigen ervaring lijkt me dit geen vooruitgang. Hoe meer ik online ben, hoe minder geconcentreerd ik werk.

Ik legde dit voor aan twee filosofen. Ze bleken mijn zorgen niet echt te delen. Ze wezen tamelijk optimistisch op nieuwe manieren van denken, nieuwe vaardigheden en revoluties die ons nog wachten. Maar één ding viel me op: beiden hebben ze in hun eigen leven wel tamelijk strikte maatregelen genomen om de digitale afleidingsmachinerie in toom te houden. Dat ga ik ook maar eens doen.

Lees hier het Filosofisch Elftal over dit onderwerp, met Bas Haring en de debuterende elftal-speelster Liesbeth Noordegraaf-Eelens.

De verzwegen visie van Rutte II

Het enige principe dat het kabinet-Rutte II van meet af aan heeft uitgedragen, past op een Hollands wandtegeltje:

je moet elkaar iets gunnen.

De leden van dit team staan zich erop voor dat ze zich niet hebben verloren in pogingen om tot één gezamenlijk verhaal te komen, ze maken afspraken op basis van uitruil, terwijl hun ideologische voorkeuren verschillend zijn en blijven.

De directeuren van de wetenschappelijke bureaus van de beide regeringspartijen denken heel verschillend over deze keuze, bleek uit een opmerkelijk dubbelinterview in Trouw. Monika Sie (PvdA) zou graag alsnog een gezamenlijke visie formuleren, terwijl Patrick van Schie (VVD) dit onnodig en onwenselijk acht.

Monika Sie droeg twee gronden aan voor haar wens. Ten eerste: voor het doorvoeren van aanzienlijke bezuinigingen heb je een gedeeld toekomstbeeld nodig, anders krijg je de bevolking niet mee. Ten tweede: een strikt zakelijke afweging per dossier leidt ook tot een strikt zakelijke beoordeling door de burger. Dat kan tot problemen leiden, zoals in de eerste weken al gebleken is.

Maar daarmee is de vraag of een visie inhoudelijk ook echt nodig is eigenlijk niet beantwoord. Ik legde de vraag voor aan Filosofisch Elftalspelers Ger Groot en Sabine Roeser. Lees hier hun antwoord.